Actueel

Herdenking deportatie Tsjetsjenen en Ingoesjen

Op vrijdag 23 februari 2018 herdacht de Tsjetsjeense en Ingoesjetische gemeenschap de deportatie van hun volk naar Centraal-Azië en Siberië, in 1944.

74 jaar geleden werd het Tsjetsjeens en Ingoesjetisch volk (ze noemen zichzelf gezamenlijk Vajnach) op brutale en mensonterende manier op transport gezet naar Centraal-Azië en Siberië. Orders van Stalin, uitgevoerd door de beruchte veiligheidsdienst NKVD. Wie niet meekon of wilde werd ter plaatse geëxecuteerd. Op sommige plaatsen werd zelfs de hele bevolking van een gehucht of dorp gedood omdat dit eenvoudiger was dan iedereen mee te krijgen. Het bekendste voorbeeld is Chaibach, een dorpje hoog in de bergen, waar alle mensen in een schuur werden gedreven. De schuur werd in brand gestoken...

In veewagens werd circa 500.000 man gedeporteerd. Eenderde van de mensen stierf onderweg door ontbering. Nog eens eenderde stierf na aankomst: er was immers niets voor deze mensen. In Kirgizië en Kazachstan, hartje winter, moesten mensen kuilen graven om wat beschutting te vinden. De bevolking was dus sterk gedecimeerd aan het einde van deze operatie die de naam Linze meekreeg.

Op vrijdag 23 februari werd deze tragedie herdacht op verschillende plaatsen in Rusland, zij het bescheiden en kleinschalig. In Tsjetsjenië zelf is herdenken sinds enkele jaren verboden. Elke smet op het blazoen van Rusland is uit den boze. Ramzan Kadyrov, ‘staatshoofd’ van de Tsjetsjeense Republiek, wil zijn werkgever, president Vladimir Poetin, niet voor het hoofd stoten (al doet hij dat vaak genoeg), en wringt zich daarom in allerlei bochten om Poetin te behagen. In Ingoesjetië is herdenken wel mogelijk. Een mooi voorbeeld van de schizofrene gevolgen van het Russisch beleid.

Maar Tsjetsjenen laten zich niet monddood maken. Op 23 februari gaf Said-Emin Ibragimov, gerespecteerd mensenrechtenverdediger, een pakket af in Den Haag, aan het Internationaal Strafhof (grote groepsfoto). Een lange aanklacht tegen Rusland voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Ook al zal deze klacht niet leiden tot een proces, omdat daar geen politieke wil voor is, het is een belangrijke stap in het bekendmaken van misdaden die te weinig gekend zijn.

Ook in Antwerpen kwamen Ingoesjen en Tsjetsjenen samen om de tragedie te herdenken. Galina Matushina (kleine groepsfoto, in het midden), lid van onze Algemene Vergadering, en Annemarie Gielen betuigden hun solidariteit. Zij bevestigden in de geboden kans om een woordje te zeggen hoe belangrijk het is om geleden trauma’s die zoveel mensen raakten (geen enkele familie bleef gespaard) te herdenken. Zonder de mogelijkheid de eigen geschiedenis een plaats te geven is er geen eerlijke kans voor de toekomst. Bovendien is het van groot belang om niet in onverschilligheid of angst terecht te komen. Dat maakt mensen passief. Maar wat met het onrecht dat geleden is? En is het wel zo ondenkbaar dat het zich opnieuw voordoet? Daar, in de Kaukasus? Maar ook hier bij ons. Hoe een conflict escaleert is onvoorspelbaar. Maar werken aan vrede door samenwerking en wederzijds begrip, daarvan weten we wel hoe dat evolueert.

De toehoorders beaamden deze woorden. Verdriet en ellende delen is belangrijk, maar plannen voor een gezamenlijke toekomst ook.