De twee handen van God | Pax Christi Vlaanderen

De twee handen van God

Grootrabbijn Albert Guigui van de Grote Synagoge van Brussel biedt ons een inspirerende Joodse midrash aan.

Het volgende verhaal speelde zich af in de stad Sefad, in het noorden van Israël.

Iedere zaterdagmorgen viel de rijkste man van de stad in slaap tijdens de sabbatdienst, het was een gewoonte geworden. Op een zaterdagmorgen schoot hij plots wakker op het moment dat de verzen Leviticus 24,5-6 uit de Thora gezongen werden. In die verzen beveelt God aan de kinderen van Israël om twaalf broden te leggen in het tabernakel van de woestijn. De man viel terug in slaap en toen de dienst achter de rug was, werd hij wakker, zonder te beseffen dat hetgeen hij gehoord had, verzen uit de Thora waren. Hij dacht dat God zelf tot hem gesproken had in zijn dromen en hem persoonlijk gevraagd had om aan God die twaalf broden te brengen.

De rijke man voelde zich vereerd omdat God hem uitverkoren had. Hij keerde naar huis terug en bakte de broden. Daarop ging hij terug naar de synagoge en hij meende dat de plaats die het meest geschikt was voor zijn offergave de Heilige Ark was, waarin de rollen van de Thora opgeborgen waren. En daar legde hij dan ook de broden neer.

Toen de rijke man de synagoge had verlaten, kwam de armste jood van de stad in het heiligdom binnen. En daar, helemaal alleen met God, sprak hij Hem aan en vertelde hij dat zijn gezin helemaal niets te eten had en dat ze zonder een wonder allemaal van de honger zouden omkomen. En dan deed hij zoals gewoonlijk zijn ronde en maakte heel de ruimte schoon. Hoe groot was zijn verwondering toen hij de trappen besteeg en de Heilige Ark opende. Hij zag de twaalf broden en riep: “Een wonder! Gezegend zijt Gij, o God, die onze beden verhoort!” En hij liep vlug heen om zijn gezin dit eten te geven. Korte tijd later kwam de rijke man terug het heiligdom binnen. Nieuwsgierig beklom hij de treden om de Ark te openen. Toen hij zag dat de broden verdwenen waren, riep hij: “O, God! Gij hebt alle broden opgegeten! Wees er zeker van dat ik terugkom met nog twaalf andere broden!”

De volgende week bracht de rijke man nog eens twaalf broden naar de synagoge en hij liet ze weer achter in de Ark. Een beetje later kwam de arme man die God om hulp had gevraagd ook de synagoge binnen, want zijn familie had weer eten te kort. Ze hadden al zeven broden opgegeten, vier verkocht en een als aalmoes weggegeven. De man opende de Ark en riep: “Weer een wonder!” en hij dankte God voor zijn hulp. Brengen en afhalen van brood: het werd een wekelijks ritueel dat jaren duurde.

Op een dag bleef de rabbijn wat langer dan gewoonlijk in de synagoge en hij zag hoe de rijke man twaalf broden in de Ark neerlegde en hoe de arme man ze er daarna weer uithaalde. De rabbijn riep de twee mannen bij zich en vroeg hen wat ze deden.  Groot was de ontgoocheling van de rijke man toen hij besefte dat het niet God was die zijn broden at. En even groot was de ontgoocheling van de arme man toen het duidelijk werd dat het niet God was die de broden voor hem bakte. Beiden waren bang dat God niet meer aanwezig zou zijn in hun leven. De rabbijn vroeg hen dan om hun handen te bekijken. Hij zei tot de rijke: “Jouw handen, ze zijn de handen van God die de arme man te eten geven.” En tot de arme zei hij: “Jouw handen zijn de handen van God die de geschenken van de rijke in ontvangst nemen.”

Een midrash is een rabbijnse interpretatie of 'uitlegging' van Bijbelse teksten.